- 3–4 spelers
- Spel van 52 kaarten
Doel: Heb je het bod gewonnen, haal dan minstens zoveel slagen; anders haal je je eigen slagen en laat je de bieder nat gaan.
Voorbereiding
- Met vier spelers krijgt iedereen 13 kaarten.
- Met drie gaat er één kaart uit en krijgt iedereen er 17.
Zo speel je
- Eerst wordt er geboden: spelers zeggen hoeveel slagen ze gaan halen.
- De hoogste bieder wint het bod en kiest troef.
- De bieder komt uit.
- Je moet kleur bekennen en de slag overnemen als je kunt.
- Kun je geen kleur bekennen, dan moet je troeven. Uitkomen met troef mag pas als er getroefd is.
- De hoogste kaart wint de slag.
Telling
- Haalt de bieder minstens zijn bod, dan krijgt hij de gehaalde slagen.
- Anders verliest hij de waarde van zijn bod.
- Alle anderen krijgen hun slagen. Bij Schoppen troef en Gewoon wordt niet geboden en krijgt iedereen z’n slagen; bij Schoppen troef is schoppen altijd troef, bij Gewoon bepaalt jullie tafel de troef.
- Met de regel ‘zonder slag’ verliest ook een tegenspeler die geen slag haalt de waarde van het bod.
Winnen
- Wie als eerste het doel haalt (bv. 51), wint; heb je een aantal rondes gekozen, dan wint na die rondes het hoogste totaal.
- In koppels tellen spelers die tegenover elkaar zitten hun slagen samen.